Mijn liefde voor doorgewinterde collega’s

Heerlijk weer eens een middagdienst. Na al die avonddiensten doet zo’n zonnige middagdienst mij in februari ook veel goed. Ik stap op de fiets en kijk nog even om naar alle mensen die zich langzaam tegenover mijn huis verzamelen om naar de zojuist gelande traumahelikopter te kijken in het weiland van de boer. Het geluid van de wieken ketst nog hard tegen de aanliggende woningen en alle bladeren van de bomen langs de wei vliegen meters hoog om nog een extra dramatisch effect aan het geheel te geven. Er zijn daar collega’s in felgekleurde pakken hard aan het werk een mevrouw te helpen die aangereden is door een vrachtwagen. Reanimatie kwam erbij kijken. En ik? Ik fiets op mijn gemak naar een flat drie hoog om een inlegger te wisselen bij een oudere dame met dementie. Ja, dat is ook zorg.

Ik belde aan uit beleefdheid, maar natuurlijk sta ik al binnen en loop langs alle rieten frutsels en schilderijen aan de muren om vervolgens heel hard GOEIEMÍDDAAAG! te roepen naar deze hardhorende dame. Meteen even kijken of ze niet ergens achter een deur plat op de grond ligt. Nee, daar was ze, in haar stoel verzonken. Net die ene diepe stoel waar ze meestal niet in zit. Ze is nog bezig met een derde poging om eruit te komen. We maken samen aanstalten om de inlegger te verwisselen, want wel ja, ze laat het toe. En al lopend naar de slaapkamer zie ik aan haar kast op grijphoogte een inlegger geklemd. Een lach op mijn gezicht.

Dat moet vast het werk zijn geweest van een doorgewinterde collega. Eenzelfde collega die een lampje aan laat staan bij het weg gaan, omdat het al donker is tegen de tijd dat de valgevaarlijke dame op leeftijd zelfstandig haar bed opzoekt. Ik weet dit dankzij een paar woorden die ik lees in de rapportages. Handig voor minder doorgewinterde collega’s als ik.

Als we klaar zijn maak ik nog een maaltijd zodat ze gaat eten. De inhoud van de prullebak schat ik in als onveranderd dus deze mevrouw zal het ontbijt wel op hebben. Ik ga tegenover haar zitten en wacht tot ze haar bord leeg heeft onder het genot van een kop koffie. ‘Zit u wel goed?’ vraag ik haar. ‘Ja het smaakt goed.’ antwoordt ze. ‘Nee, ik zei eigenlijk ZÍT u wel goed?’ ‘Nou, nee dat bedenk ik mij ook ineens. Laat ik eens aanschuiven.’ Dit lukt haar niet zonder mijn hulp. Een verhaal volgt over de oorsprong van het tafelkleed. Deze roept herinneringen op. Haar gezichtsuitdrukking erbij. Ik geniet van het geheel.

Dan ga ik weg. De kamerdeur dicht en dan loop ik, na bedenking, terug in de gang. Nog even een lampje aan naast haar bed. Daarna vertrek ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.